Naar inhoud
NL EN
Kennis

BKR op de BSO: zo werkt de beroepskracht-kindratio

08 oktober 2026 · 5 min leestijd

De beroepskracht-kindratio, kortweg BKR, bepaalt hoeveel kinderen één beroepskracht tegelijk mag begeleiden. Op de buitenschoolse opvang werkt die regel anders dan op een kinderdagverblijf: de kinderen zijn ouder, de groepen groter en de dagen wisselen tussen een korte middag na school en een lange vakantiedag. Dit artikel legt uit hoe de BKR op de BSO in elkaar zit en waar het in de praktijk misgaat.

De ratio per leeftijd

Op de BSO geldt hetzelfde principe als in de dagopvang: hoe jonger het kind, hoe meer aandacht het nodig heeft. De verschillen zijn alleen kleiner, omdat alle kinderen al naar school gaan.

  • Kinderen van vier tot en met zes jaar: één beroepskracht op tien kinderen.
  • Kinderen van zeven jaar tot ze naar de middelbare school gaan: één beroepskracht op twaalf kinderen.
  • Zijn beide leeftijdsgroepen aanwezig, dan geldt er geen aparte vaste verhouding. Je rekent de bezetting dan uit met de formule hieronder.

De wet rekent met een formule: (A x 0,1) + (B x 0,083). A is het aantal aanwezige kinderen van vier tot en met zes jaar, B het aantal aanwezige kinderen van zeven jaar tot het einde van de basisschool. Komt er een getal uit met ,18 of hoger achter de komma, dan rond je naar boven af. Zijn er kinderen aanwezig, dan zet je altijd minstens één beroepskracht in. Je rekent over alle aanwezige kinderen op de locatie samen, niet per basisgroep.

Ook de groepsgrootte is begrensd. Een basisgroep op de BSO telt maximaal 30 kinderen. Verlaten kinderen hun basisgroep voor een activiteit, dan geldt die grens tijdens die activiteit niet.

Controleer de actuele regels altijd bij de Rijksoverheid of je GGD, want wetgeving kan veranderen. Dit artikel legt uit hoe de berekening werkt, niet wat er precies in de wet staat. Voor de exacte uitkomst op je locatie gebruik je de officiële rekentool van de Rijksoverheid, die ook de afrondingsregels toepast.

Leeftijd telt mee, ook halverwege het jaar

Een voorbeeld laat zien waarom de leeftijdsopbouw ertoe doet. Twaalf kinderen van zeven jaar en ouder kunnen met één beroepskracht: 12 x 0,083 is 0,996, afgerond één. Twaalf kinderen van vier tot en met zes jaar vragen er twee: 12 x 0,1 is 1,2, en omdat ,2 boven de ,18 ligt, rond je af naar twee. Hetzelfde aantal kinderen, een andere bezetting.

Die verhouding verschuift door het jaar heen. Wordt een kind zeven, dan weegt het minder zwaar in de som. Stroomt er na de zomer een nieuwe lichting vierjarigen in, dan weegt de groep ineens zwaarder. Wie de bezetting per schooljaar vastlegt en niet meer naar kijkt, loopt achter de feiten aan.

Afwijken: schooldagen en vrije dagen

Je mag op bepaalde momenten van de BKR afwijken, maar de ruimte verschilt per soort dag.

  • Op schooldagen mag je maximaal een half uur per dag minder beroepskrachten inzetten dan de ratio vraagt.
  • Op vrije dagen en in de vakantie, als je tien uur of langer open bent, mag je maximaal drie uur per dag afwijken.

Tijdens zo'n afwijking moet altijd minstens de helft van het benodigde aantal beroepskrachten aanwezig zijn. Gebruik je op vrije dagen of in de vakantie de ruimte van drie uur, dan beschrijf je in je pedagogisch beleidsplan de kaders waarbinnen je dat verantwoord doet. Wanneer je echt afwijkt, laat je zien met een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten met de aankomst- en vertrektijden van de kinderen. Bij een inspectie gaat het niet om de afwijking zelf, maar om de vraag of die lijsten binnen de regels en de kaders uit je plan blijven.

Wat op de BSO anders is dan in de dagopvang

Een paar regels uit de dagopvang gelden niet, of anders, op de BSO. Het vierogenprincipe, waarbij een volwassene altijd gezien of gehoord moet kunnen worden, geldt alleen voor de dagopvang. Sta je als enige beroepskracht op een BSO-locatie, dan moet er wel een achterwacht geregeld zijn: een volwassene die telefonisch bereikbaar is en bij een calamiteit binnen vijftien minuten op de locatie kan zijn. Sta je alleen omdat je op dat moment van de BKR afwijkt, dan moet er zelfs een andere volwassene in het gebouw aanwezig zijn. Hoe je dat regelt, beschrijf je in je beleid veiligheid en gezondheid.

Ook het mentorschap geldt op de BSO: elk kind heeft een vaste beroepskracht als mentor, en ouders en kind weten wie dat is.

Waar het in de praktijk misgaat

Een BSO heeft meer bewegende delen dan een kinderdagverblijf. Kinderen komen van verschillende scholen, die niet allemaal op hetzelfde moment uitgaan. Op woensdag en vrijdag zijn sommige scholen al rond het middaguur uit, andere niet. Een studiedag op één school zet op een gewone dinsdag ineens tien kinderen extra op je groep, vanaf acht uur 's ochtends.

Daarbij komt de afmelding. Een kind dat ziek thuis is maar niet is afgemeld, staat op je lijst en lijkt mee te tellen. Andersom geldt hetzelfde: een kind dat onaangekondigd mee komt met een vriendje, staat nergens maar telt wel. De ratio op papier en de ratio op de groep lopen dan uit elkaar.

Een inspecteur vraagt zelden naar je gemiddelde week. De vraag is wie er op een bepaalde woensdagmiddag op de groep stond en welke kinderen er toen waren. Een rooster dat je elke week overschrijft bewaart niet hoe de dag werkelijk was, alleen hoe je hem had gepland.

Wat je van BSO-software mag verwachten

Goede BSO-software rekent de ratio per moment uit over alle kinderen op de locatie, met de leeftijd van elk kind en de schooltijden van elke school. Je ziet een overschrijding voordat die ontstaat, ook op een studiedag, en je kunt achteraf laten zien hoe een specifieke dag verliep.

Rupsje bouwt op dit moment software voor de buitenschoolse opvang. Heb je ook een kinderdagverblijf? Bekijk dan Rupsje voor het kinderdagverblijf, dat je nu al kunt gebruiken.